de
lui
de
roep
×
×

×

Artikelinformatie

Auteurs:
Marian Pel en Wim Wiggers
Oorspronkelijk gepubliceerd in Jezus de Vriend no. 17. Het artikel is enigszins aangepast door de Luide Roep naar taalgebruik van deze tijd.
Pagina 3 - 6
Inleiding, samenvatting, afbeeldingen, tussenkopjes en [...] toegevoegd door De Luide Roep.

Inhoudsopgave

  1. De belofte is: je krijgt een erfenis
  2. Om een erfenis te ontvangen moet er eerst iemand sterven
  3. Abraham denkt na over zijn eigen erfenis en krijgt dan de belofte van God dat hij 'dit land' van God als erfenis zal krijgen
  4. Abram krijgt de belofte van een zoon.
  5. De belofte van het land was ook aan Abraham zélf
  6. Abraham KOCHT een graf voor Sarah
  7. God bevestigt de belofte met een eed
  8. In het aardse Kanaän zullen ze vreemdelingen zijn
  9. Het onderpand (het aardse Kanaän) was niet meer nodig na de dood van Christus
  10. Wat zei Calvijn?
  11. David beschouwde zich als vreemdeling op deze aarde
  12. God belooft David een betere plaats
  13. Petrus beschouwt ons ook als vreemdelingen
  14. Paulus zegt hetzelfde in de brief aan de Hebreeën
  15. Wie zullen de nieuwe aarde beërven?
  16. Als ze uit de dood opstaan, zal de erfenis voor de gelovigen zijn
  17. De NIEUWE aarde is het echte beloofde land
  18. Het NIEUWE Jeruzalem is de heilige stad
  19. In het Nieuwe Jeruzalem zal NIETS onreins binnenkomen, alleen zij die geschreven zijn in het boek van het Lam

×
×
Calvijn

Het aardse Kanaän is een onderpand

“Tenslotte moeten wij steeds acht geven op hetgeen hierboven opgemerkt is, namelijk dat God het land Kanaän aan zijn knecht alleen als [onder]pand gegeven heeft en dat Hij hem daarmee niet heeft willen paaien (=tevredenstellen).

Abraham had zelfs de dag van de Here gezien

Het zou voor Abraham immers ook een heel karige beloning geweest zijn, wanneer hij niets anders gekregen had dan dat land. Het staat toch vast dat hij door een andere Geest geleid is, dat wil zeggen dat hij zelfs de dag van onze Here Jezus Christus gezien heeft, zoals gezegd wordt in Johannes 8.

Abraham zei zelf dat hij een pelgrim was op deze wereld

Bovendien heeft hij beleden dat hij een pelgrim op deze wereld was. Zijn erfenis bevond zich dus elders.

Wanneer Hij daarom tot hem zegt dat dit land hem tot erfelijk bezit gegeven wordt is dat niet zijn laatste doel; zijn verlangen hecht zich daaraan niet en blijft daarin niet bevangen maar het reikt veel verder.

Want zoals wij reeds gezien hebben moest hij zich wel richten naar de hemel, daar hij zijn geboorteland had prijsgegeven en verlaten had om in een vreemd en onbekend land te wonen.

Wij moeten erop letten dat het land Kanaän, hoewel het zijn erfdeel genoemd wordt gelijk het ook de rustplaats van God en zijn woning genoemd wordt, toch zoveel is als een pand of nog nauwkeuriger uitgedrukt, een handgeld.

Een pand immers vertegenwoordigt nog een zekere waarde die evenredig is aan hetgeen wordt verzekerd, maar met een handgeld is dat in het geheel niet het geval. Men geeft een zogenaamde godspenning bij een handel in duizend goudstukken en nog honderd maal meer. Men geeft daarbij een geldstuk als handgeld. En welke waarde heeft dit? Geen enkele. Is een kruik wijn net zoveel waard als een stuk land of een bezitting die drie of vier mensen rijk kan maken?

Hoe dit echter ook zij, dit handgeld is bestemd om voor dit doel te worden gebruikt. Zo dan is het land Kanaän het erfdeel geweest van alle kinderen van Abram en van hen die uit zijn geslacht zijn voortgekomen, maar in deze zin, dat het hun gegeven is als ‘handgeld op de hemel’. Het is zeker dat de ware gelovigen hun verwachting NIET daarop gesteld hebben en zich NIET daaraan gehecht hebben, zoals ik reeds gezegd heb, maar dat hun gedachten zich op hogere dingen hebben gericht.”

×
ARTIKEL menu search
De belofte aan Abraham

De Nieuwe aarde

- 1 - De belofte is: je krijgt een erfenis
In de Bijbel kun je lezen over de beloften van God aan Abraham. Abraham ontving de belofte van een erfenis.

Door het geloof is hij een inwoner geweest in het land van de belofte als in een vreemd land en heeft hij in tenten gewoond, met Izak en Jakob, die mede-erfgenamen waren van dezelfde belofte. Want hij verwachtte de stad die fundamenten heeft, waarvan God de Bouwer en Ontwerper is. Hebreeën 11: 9, 10

Want niet door de wet is de belofte aan Abraham of zijn nageslacht gedaan dat hij een erfgenaam van de wereld zou zijn, maar door de gerechtigheid van het geloof. Romeinen 4: 13
- 2 - Om een erfenis te ontvangen moet er eerst iemand sterven
De Bijbel legt er de nadruk op dat de nieuwe aarde een erfenis is.

Wat is een erfenis?

Stelt je eens voor dat een vader met zijn zoon over de erfenis gaat praten. Wat zou de zoon zeggen denk je? De zoon zou zeggen: “Vader, u bent nog veel te jong om over de erfenis te praten. Ik hoop dat u nog heel lang leeft.”

De nieuwe aarde is een erfenis

Als de nieuwe aarde een erfenis is en als Abraham, Isaak en Jakob mede-erfgenamen waren, wie moest er dan sterven om dat waar te maken? Is dat niet degene die de erfenis belooft? Is dat niet Jezus, de mens geworden Zoon van God?

In het Oude Testament wordt de dood van God verkondigd met het woord 'erfenis' of 'erfgenaam'.
- 3 - Abraham denkt na over zijn eigen erfenis en krijgt dan de belofte van God dat hij 'dit land' van God als erfenis zal krijgen
Abraham en God spreken samen over de erfenis in Genesis 15.

1Na deze dingen kwam het woord van de HEERE tot Abram in een visioen: Wees niet bevreesd, Abram, Ik ben voor u een schild, uw loon zeer groot.

2Toen zei Abram: Heere HEERE, wat zult U mij dan geven, aangezien ik kinderloos heenga en de bezitter van mijn huis deze Eliëzer uit Damascus zal zijn? 3Verder zei Abram: Zie, mij hebt U geen nageslacht gegeven, en zie, iemand die in mijn huis geboren is, zal mijn erfgenaam zijn.

4Maar zie, het woord van de HEERE kwam tot hem: Deze man zal uw erfgenaam niet zijn, maar iemand die uit uw eigen lichaam voortkomt, die zal uw erfgenaam zijn.

5Toen leidde Hij hem naar buiten en zei: Kijk toch naar de hemel en tel de sterren, als u ze kunt tellen. En Hij zei tegen hem: Zo talrijk zal uw nageslacht zijn. 6En hij geloofde in de HEERE, en Die rekende hem dat tot gerechtigheid.

7Verder zei Hij tegen hem: Ik ben de HEERE, Die u uit Ur van de Chaldeeën geleid heeft, om u dit land te geven om het in bezit te hebben. 8Hij zei: Heere HEERE, waardoor zal ik weten dat ik het in bezit zal krijgen? Genesis 15: 1-8
- 4 - Abram krijgt de belofte van een zoon.
Hier zien we dus een gesprek en dat gesprek gaat over de erfenis.

De Here komt bij Abram en Abram begint met de Here een gesprek over zijn dood en wat er daarna met zijn bezittingen zal gebeuren. Hij zegt:

“Ik heb geen zoon, dus als ik sterf gaat alles naar mijn knecht.” Daarop antwoordt de Here dat Abram zélf een zoon zal hebben en die zal al Abrams bezittingen erven.

Dan begint God te praten over Zijn erfenis. Met andere woorden, God gaat met Abram praten over Zijn dood. Hij zegt:

Ik ben de HEERE, Die u uit Ur van de Chaldeeën geleid heeft, om u dit land te geven om het in bezit te hebben (statenvertaling: om dat erfelijk te bezitten).
Hij zei: Heere HEERE, waardoor zal ik weten dat ik het in bezit zal krijgen? Genesis 15: 7-8
- 5 - De belofte van het land was ook aan Abraham zélf
Abraham vraagt, “hoe weet ik dat ik het erfelijk bezitten zal?”

Hier spreekt Abraham dus niet meer over zijn zoon of zijn nageslacht, nee, alleen over zichzelf. “Hoe weet ik of ik dit land erfelijk bezitten zal?”

De Here zegt, “Abraham jij zult het land erfelijk, dat wil zeggen als een erfenis, bezitten”. God wil hiermee dus zeggen: IK ga sterven en nadat IK gestorven ben zul jij dit land bezitten. En zo was het ook.

Abraham heeft immers tijdens zijn hele leven [op deze aarde] nog geen schep grond in Kanaän bezeten.

“...en Hij (God) gaf hem (Abraham) geen erfdeel daarin, zelfs niet één voet, maar Hij beloofde het hem en zijn nakomelingschap tot een bezitting te geven, ofschoon hij geen kinderen had.” Handelingen 7: 5 (in de rede van Stefanus voor de hoge raad).
- 6 - Abraham KOCHT een graf voor Sarah
Toen Sara stierf moest hij een graf kopen. Men wilde het aan hem geven, maar Abraham weigerde datgene gratis te aanvaarden wat God hem als erfenis beloofd had. (Genesis 23)

Waarom weigerde Abraham dat en wilde hij het persé kopen?

Omdat het anders een verloochening van zijn geloof zou zijn geweest.

Om Abraham dus in het bezit te laten komen van deze erfenis moesten er twee dingen gebeuren:
  1. God moest sterven, en dat gebeurde op Golgotha.
  2. Abraham moest weer opstaan uit de doden en dat zal gebeuren bij de tweede komst van Christus.

Want niet door de wet is de belofte aan Abraham of zijn nageslacht gedaan dat hij een erfgenaam van de wereld zou zijn, maar door de gerechtigheid van het geloof. Romeinen 4: 13

Paulus laat hier zien dat Abraham en zijn nageslacht de belofte op de erfenis verkrijgen door GELOOF. Hier zien wij duidelijk dat de belofte aan Abraham eigenlijk dezelfde is als die aan ons.
- 7 - God bevestigt de belofte met een eed
Abraham wil van God een bevestiging hebben op dat wat beloofd is:

“Hoe zal ik weten dat ik het erfelijk bezitten zal?”

Dan wordt een plechtige eed gezworen.

“En Hij (de Here) zeide tot hem (Abraham): haal Mij een driejarige jonge koe, een driejarige geit, een driejarige ram, een tortelduif en een jonge duif.” Genesis 15: 9

Abraham moest dan de koe, de geit en de ram door midden delen en deze tegenover elkaar leggen. Ook de duif en de tortelduif worden tegenover elkaar gelegd.

Abraham gaat tussen de stukken door en ook de Here gaat tussen de stukken door als een rokende oven en als een vurige fakkel (lamp).

Dat was Gods verbond met Abraham. Het verbond werd gesloten met een offer. Een zinnebeeld (symbool) van het grote offer waardoor Abraham en zijn zaad in bezit komen van de nieuwe aarde, het hemelse Kanaän.
- 8 - In het aardse Kanaän zullen ze vreemdelingen zijn
Bij deze gelegenheid zegt de Here over het aardse Kanaän:

“Weet voorzeker, dat uw nakomelingen vreemdelingen zullen zijn in een land, dat het hunne niet is, en dat zij hen dienen zullen, en dat die hen zullen verdrukken, vierhonderd jaar.” Genesis 15: 13


“Maar gij zult in vrede tot uw vaderen gaan; gij zult in hoge ouderdom begraven worden.” Genesis 15: 15

Maar de vraag luidde: Waaraan zal ik weten dat ik het bezitten zal?

Het verbond was een belofte op het bezit van de NIEUWE aarde

Anders gezegd: Deze verbondssluiting en de beloften die daarin gegeven waren, waren voor Abraham en zijn nageslacht een onderpand.
  1. Een onderpand van de dood van de Messias;
  2. Een onderpand van de opstanding uit de doden;
  3. En een onderpand van het bezit van de nieuwe aarde.

Het aardse land Kanaän zou het onderpand zijn totdat het niet meer nodig was, dat wil zeggen, tot de dood van Degene die de belofte van de erfenis gegeven heeft, de Christus.
- 9 - Het onderpand (het aardse Kanaän) was niet meer nodig na de dood van Christus
Paulus zegt in de Hebreeënbrief als hij het heeft over de belofte van de erfenis (wij noemen dat het testament):

Immers, waar een testament is, daar is het noodzakelijk dat de dood van de maker van het testament vastgesteld wordt. Want een testament is bindend na iemands dood. Het wordt immers nooit van kracht zolang de maker van het testament nog leeft. Hebreeën 9: 16, 17

(Statenvertaling: “... want een testament is vast in de doden, daar het nog geen kracht heeft wanneer de testamentmaker leeft.”).

Als het testament dus 'vast is in de doden', is er geen onderpand meer nodig. En zo gebeurde het ook. Het Joodse volk verloor het onderpand nadat de Messias gestorven was.
- 10 - Wat zei Calvijn?
Klik voor:
lees! Wat schreef Calvijn?


Het is duidelijk dat Calvijn het land Kanaän en het bezit daarvan plaatst in het licht van het verlossingsplan.

In het verlossingsplan was dit bezit alleen maar een onderpand, een 'handgeld' tot de dood van Degene die de erfenis achterlaat, Christus.

Het huidige bezit van Kanaän door de Joden is geen onderdeel van de profetie, en vervult ook geen functie in het verlossingsplan.
- 11 - David beschouwde zich als vreemdeling op deze aarde
Al Gods kinderen zijn pelgrims (vreemdelingen) op aarde.
David zegt:

“Hoor mijn gebed, Here, en neem mijn hulpgeroep ter ore, zwijg niet bij mijn geween, want ik ben een vreemdeling bij u, een bijwoner gelijk al mijn vaderen.” Psalm 39: 13

“Ik ben een vreemdeling op aarde, verberg uw geboden niet voor mij.” Psalm 119: 19

Dit zei David niet toen hij op de vlucht was voor Saul en ronddoolde in de woestijn, maar juist toen hij koning was op de troon in Israël. Als er ooit een tijd was dat hij kon denken dat de belofte aan Israël in vervulling was gegaan, dan was dat wel in die tijd, maar zelfs toen beschouwde David zichzelf en het volk als vreemdelingen en bijwoners op aarde.
- 12 - God belooft David een betere plaats
Toen de koning in zijn paleis was gaan wonen en de Here hem aan alle zijden van al zijn vijanden rust gegeven had, zei de koning tot de profeet Natan: Zie toch, ik woon in een cederen paleis, terwijl de ark Gods verblijft onder een tentkleed. Toen zeide Natan tot de koning: Welaan doe al wat in uw hart is, want de Here is met u.

Maar in die nacht kwam het woord des Heren tot Natan: Ga, spreek tot mijn knecht David... Ik zal een plaats bepalen voor mijn volk, voor Israël, en het planten, zodat het op zijn eigen plaats kan wonen, zonder dat het meer opgeschrikt wordt... 2 Samuël 7: 1-4, 10

David begreep de woorden van de profeet heel goed. Hij dankte God voor de belofte aan hem en aan zijn vaderen gegeven.

Toen prees David de Here ten aanschouwen van de gehele gemeente, en David zeide: Geprezen zijt Gij, Here, God van onze vader Israël, van eeuwigheid tot eeuwigheid. Voorwaar wij zijn vreemdelingen en bijwoners voor uw aangezicht, gelijk al onze vaderen... 1 Kronieken 29: 10, 15
- 13 - Petrus beschouwt ons ook als vreemdelingen
De apostel Petrus zegt dat wij vreemdelingen zijn op deze aarde.

En als u Hem als Vader aanroept Die zonder aanzien des persoons naar ieders werk oordeelt, wandel dan in de vreze des Heeren, gedurende de tijd van uw vreemdelingschap, 1 Petrus 1: 17


Geliefden, ik roep u op als bijwoners en vreemdelingen u te onthouden van de vleselijke begeerten, die strijd voeren tegen de ziel. 1 Petrus 2: 11
- 14 - Paulus zegt hetzelfde in de brief aan de Hebreeën
Er is maar één vaderland voor diegenen die van Christus zijn en dat is de vernieuwde aarde. Dát is het eigen land van de verlosten.

Hebreeën 11 maakt van het begin tot aan het einde duidelijk dat de ware kinderen van Abraham zich in het aardse Kanaän steeds als vreemdelingen gevoeld hebben.

“Door het geloof heeft hij vertoefd in het land der belofte, als in een vreemd land, waar hij in tenten woonde met Isaak en Jakob, die mede-erfgenamen waren van dezelfde belofte; want hij verwachtte de stad met fundamenten, waarvan God de ontwerper en bouwmeester is.

In dat geloof zijn deze allen gestorven, zonder de beloften verkregen te hebben; slechts uit de verte hebben zij die gezien en begroet, en zij hebben beleden, dat zij vreemdelingen en bijwoners waren op aarde. Want wie zulke dingen zeggen, geven te kennen, dat zij een vaderland zoeken. En als zij gedachtig geweest waren aan het vaderland, dat zij verlaten hadden, zouden zij gelegenheid gehad hebben terug te keren: maar nu verlangen zij naar een beter, dat is een hemels, vaderland. Daarom schaamt God Zich voor hen niet hun God te heten, want Hij had hun een stad bereid.

Ook deze allen, hoewel door het geloof een getuigenis aan hen gegeven is, hebben het beloofde NIET verkregen, daar God iets beters met ons voor had, zodat zij niet zonder ons tot de volmaaktheid konden komen.” Hebreeën 11: 9, 10, 13-16, 39, 40
- 15 - Wie zullen de nieuwe aarde beërven?
In Psalm 37: 9, 11, 18, 29 lezen we dat het diegenen zijn die de Here verwachten.

Het zijn de ootmoedigen, de vromen en de rechtvaardigen.

... maar de ootmoedigen beërven het land en verlustigen zich in grote vrede. Psalm 37: 11

De statenvertaling schrijft: “De zachtmoedigen daarentegen zullen de aarde erfelijk bezitten, en zich verlustigen over grote vrede.”


Jezus zegt:

Zalig de zachtmoedigen, want zij zullen de aarde beërven. Matteüs 5: 5
- 16 - Als ze uit de dood opstaan, zal de erfenis voor de gelovigen zijn
Dit alles is in volmaakte overeenstemming met Gods belofte aan Abraham. De opstanding uit de doden, het moment dat Gods kinderen uit het graf komen, zal hen in het land Israël, in hun eigen land, brengen.

De profeet Ezechiël zegt het als volgt:

Zo zegt de Here Here: zie, Ik open uw graven en zal u uit uw graven doen opkomen, o mijn volk, en u brengen naar het land Israëls. En gij zult weten, dat Ik de Here ben, wanneer Ik uw graven open en u uit uw graven doe opkomen, o mijn volk. Ik zal mijn Geest in u geven, zodat gij herleeft en Ik zal u doen wonen in uw land; en gij zult weten, dat Ik, de Here, het gesproken en gedaan heb, luidt het woord des Heren. Ezechiël 37: 12-14

“Zij zullen de smaad en al de ontrouw, waarmee zij Mij ontrouw geweest zijn, vergeten, wanneer zij weer in hun land wonen, veilig, zonder dat iemand hen opschrikt. En zij zullen weten, dat Ik de Here hun God ben, zowel wanneer Ik hen in ballingschap wegvoer onder de volken, als wanneer Ik hen weer in hun eigen land verzamel, zonder dat Ik iemand van hen daarginds achterlaat.” Ezechiël 39: 26, 28
- 17 - De NIEUWE aarde is het echte beloofde land
Alleen de nieuwe aarde is het echte beloofde land voor Abram en zijn ware kinderen.

Alleen de nieuwe aarde met de nieuwe stad werd door Abram beschouwd als zijn eigen land, of als het land Israël.

Ook zullen, zich buigend, naar u toe komen de kinderen van hen die u onderdrukt hebben, en allen die u verworpen hebben, zullen zich neerbuigen aan uw voetzolen, en zij zullen u noemen: Stad van de HEERE, het Sion van de Heilige van Israël.

In plaats van dat u verlaten en gehaat bent geweest, zodat niemand door u heen trok, zal Ik u tot een eeuwige glorie maken, tot een vreugde van generatie op generatie.

U zult de melk van de heidenvolken zuigen, ja, u zult aan de borst van koningen zuigen; dan zult u weten dat Ik, de HEERE, uw Heiland ben, en uw Verlosser, de Machtige van Jakob.

In plaats van koper zal Ik goud brengen, in plaats van ijzer zal Ik zilver brengen, in plaats van hout koper, in plaats van stenen ijzer. En als uw opzichter stel Ik vrede aan en als uw opzieners gerechtigheid.

Er zal niet meer gehoord worden van geweld in uw land, van verwoesting of rampen binnen uw grenzen, maar uw muren zult u noemen Heil, en uw poorten Lof.

De zon zal voor u niet meer zijn tot een licht overdag en als een schijnsel zal u de maan niet verlichten, maar de HEERE zal voor u zijn tot een eeuwig licht en uw God tot uw sieraad.

Uw zon zal niet meer ondergaan en uw maan zal zijn licht niet intrekken, want de HEERE zal voor u tot een eeuwig licht zijn en aan de dagen van uw rouw zal een einde komen.

Uw volk, zij allen zullen rechtvaardigen zijn, voor eeuwig zullen zij de aarde in bezit nemen. Zij zullen een stekje zijn, door Mij geplant, een werk van Mijn handen, opdat Ik verheerlijkt zal worden. Jesaja 60: 14-21
- 18 - Het NIEUWE Jeruzalem is de heilige stad
Johannes beschrijft het in de Openbaring als volgt:

En ik zag een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, want de eerste hemel en de eerste aarde waren voorbijgegaan. En de zee was er niet meer. En ik, Johannes, zag de heilige stad, het nieuwe Jeruzalem, neerdalen van God uit de hemel, gereedgemaakt als een bruid die voor haar man sierlijk gemaakt is.

En ik hoorde een luide stem uit de hemel zeggen: Zie, de tent van God is bij de mensen en Hij zal bij hen wonen, en zij zullen Zijn volk zijn, en God Zelf zal bij hen zijn en hun God zijn. En God zal alle tranen van hun ogen afwissen, en de dood zal er niet meer zijn; ook geen rouw, jammerklacht of moeite zal er meer zijn. Want de eerste dingen zijn voorbijgegaan. En Hij Die op de troon zit, zei: Zie, Ik maak alle dingen nieuw. En Hij zei tegen mij: Schrijf, want deze woorden zijn waarachtig en betrouwbaar.

En Hij zei tegen mij: Het is geschied. Ik ben de Alfa en de Omega, het Begin en het Einde. Wie dorst heeft, zal Ik voor niets te drinken geven uit de bron van het water des levens. Wie overwint, zal alles beërven, en Ik zal voor hem een God zijn en hij zal voor Mij een zoon zijn. Maar wat betreft de lafhartigen, ongelovigen, verfoeilijken, moordenaars, ontuchtplegers, tovenaars, afgodendienaars en alle leugenaars: hun deel is in de poel die van vuur en zwavel brandt. Dit is de tweede dood. Openbaring 21:1-8
- 19 - In het Nieuwe Jeruzalem zal NIETS onreins binnenkomen, alleen zij die geschreven zijn in het boek van het Lam
En een van de zeven engelen die de zeven schalen hadden, vol van de zeven laatste plagen, kwam naar mij toe en hij sprak met mij en zei: Kom, ik zal u de bruid, de vrouw van het Lam, laten zien. En hij voerde mij weg in de geest op een grote en hoge berg en liet mij de grote stad zien, het heilige Jeruzalem, dat neerdaalde uit de hemel, bij God vandaan. Zij had de heerlijkheid van God, en haar uitstraling was als een zeer kostbare edelsteen, als een kristalheldere steen jaspis. Zij had een grote en hoge muur met twaalf poorten, en bij die poorten twaalf engelen. Ook waren er namen op geschreven, namelijk van de twaalf stammen van de Israëlieten. Openbaring 21:9-12

En de twaalf poorten waren twaalf parels. Elke poort apart bestond uit één parel, en de straat van de stad was zuiver goud, als doorzichtig glas. Ik zag geen tempel in haar, want de Heere, de almachtige God, is haar tempel, en het Lam.

En de stad heeft de zon en de maan niet nodig om haar te beschijnen, want de heerlijkheid van God verlicht haar, en het Lam is haar lamp. En de naties die zalig worden, zullen in haar licht wandelen, en de koningen van de aarde brengen hun heerlijkheid en eer erin. En haar poorten zullen overdag nooit gesloten worden, want daar zal geen nacht zijn. En zij zullen de heerlijkheid en de eer van de naties daarin brengen.

Al wat onrein is, zal er niet inkomen, en ook niemand die zich bezighoudt met gruwelen en leugens, maar alleen zij die geschreven zijn in het boek des levens van het Lam. Openbaring 21:21-27
Video menu search
Kijk ook deze video van Stephen Bohr! arrow_back
(Je wordt
doorgelinkt
naar YouTube)
Abraham en de Verbondsbeloften
Kijk deze video!


Of kijk de hele serie 'Cracking the Genesis Code'.